In het begin van de vijftiende eeuw kwamen er opnieuw joden in Utrecht wonen. Ze kwamen uit Duitsland en vestigden zich in het zogenaamde Jodenhofje achter het hoekperceel Bakkerstraat-Oudegracht. De vermoedelijke synagoge was het aanzienlijkste huis aldaar.

In 1444 werden de joden officieel uit de stad verdreven. Toch hebben zich in het begin van de zestiende eeuw opnieuw joden in Utrecht gevestigd waar ze handel dreven. Keizer Karel V trad daar tegenop met een plakkaat waarin hij verordonneerde ‘geen joden te ontfangen, noch te onderhouden, en die geene die over zijn doen vertrekken binnen den tijd van eender maand na die publicatie.’
Een eeuw lang was het stil omtrent de Utrechtse joden. Wel ontstond in die tijd het zogenoemde ‘jodendorp’ Nieuw Maarsseveen, vlak bij de stad.
Pas rond 1708 verwierven enkele Ashkenazische joden het Utrechtse stadsburgerschap. In 1714 poogde men een synagoge te vestigen, maar dat mislukte. Een paar jaar later lukte het de gefortuneerde Portugese joden wel. Hoogstwaarschijnlijk bevond die Portugese synagoge zich in de laatste percelen links van de Plompetorengracht in het huis van de Sefardische bewindhebber Jacob Hikskia Machado.
Jaarmarkten waren al vanaf de middeleeuwen belangrijk. Niet alleen voor de handel, maar ook voor andere uitwisselingen. Tijdens jaarmarkten was de stad namelijk voor iedereen vrij, ook voor joden. Op die jaarmarkten kwam vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw vaak een reizende rebbe vanuit Amsterdam met een kar met daarin een synagoge-inventaris. Hij richtte dan een tijdelijke synagoge in op in de Boterstraat, waar de joodse kooplieden logeerden.
Eindelijk, in 1788 werd het joden officieel toegestaan zich in Utrecht te vestigen. Dit was vergeleken met andere Nederlandse steden, buitengewoon laat. Vanaf dat moment kon serieus aan een synagoge gedacht worden. Op 21 december 1792 huurde de Ashkenazische gemeenschap de oude leegstaande doopsgezinde kerk aan de Springweg (toen Jufferstraat geheten) en in 1796 werd het gebouwencomplex gekocht. Een bloeiende joodse gemeenschap kon ontstaan.
Na de deportatie van de Utrechtse joden tijdens de Tweede Wereldoorlog keerden ongeveer 500 joden terug naar Utrecht. Meer dan 1000 Utrechtse joden zijn tijdens de holocaust omgekomen. In de synagoge was in 1941 door een Nederlandse nazi brand gesticht, die gelukkig bijtijds kon worden geblust. Na het eind van de deportaties in 1943 werd het gebouw op slot gedaan en verzegeld. Een aantal rituele voorwerpen is verloren gegaan, een aantal is teruggevonden na de oorlog. In 1945 kon het gebouw opnieuw worden ingewijd.
Vanaf die datum is de synagoge steeds in gebruik geweest, al moest het mooiste deel in 1982 worden verkocht wegens geldgebrek. Nu is het moment helaas gekomen dat de joodse gemeenschap ook geen geld meer heeft om de rest van het gebouwencomplex te onderhouden. Na de eeuwenlange strijd om een synagoge in deze stad te mogen hebben, zou het vreselijk zijn als die nu op deze manier geruisloos zou verdwijnen.

(Voor het schrijven van dit stukje is gebruik gemaakt van het artikel ‘De synagogen te Utrecht’ door Jac. Zwarts en ‘Geschiedenis Utrecht uit Pinkas Hakehillot’ door Jozeph Michman, Hartog Beem en Dan Michman.)
